Bescherm dieren en planten

Algemeen

Bouwen, slopen, bomen kappen, een sloot dempen of een evenement organiseren kan schadelijk zijn voor beschermde dieren of planten. Onderzoek eerst of er beschermde of bedreigde soorten aanwezig zijn. Dat heet zorgplicht. Als het werk negatieve gevolgen heeft voor deze soorten moet je een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen bij de provincie. Op deze pagina staan de geldende regels, de te volgen stappen en oplossingen om je activiteit natuurvriendelijk en volgens de wet uit te voeren.

Beschermde soorten aanwezig?

Kijk op de Beschermde Soortenindicator (BeSi) of jouw werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor beschermde dieren of planten. Als er gevolgen zijn dan zijn 2 routes mogelijk.

  • Route 1 : werken met de Soortenmanagementplan (SMP)-vergunning van de gemeente Breda. Deze route geldt voor 6 dieren: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, huismus en gierzwaluw. 
  • Route 2: je laat zelf ecologisch onderzoek uitvoeren en vraagt een vergunning aan bij de provincie. Dit is nodig als de activiteit buiten het SMP valt of als je liever een eigen traject volgt. 

Beantwoord onderstaande vragen om te bepalen welke route van toepassing is.

Geeft de de BeSi-tool aan dat de werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor beschermde dieren of planten? Verplicht
Maak een keuze Verplicht

Als er geen beschermde soorten in of rond het gebouw kunnen zijn, heb je geen vergunning (Omgevingswet) nodig. Bij de werkzaamheden moet je wel altijd zorgvuldig omgaan met dieren en planten. Dit is de zorgplicht.

Waar staat de woning? Verplicht

Als de woning buiten de bebouwde kom staat, kun je geen gebruik maken van de vergunning van de gemeente (SMP). Je moet route 2 volgen: laat zelf ecologisch onderzoek uitvoeren en vraag een vergunning aan bij de provincie.

Werkzaamheden die onder route 1 vallen zijn: 

  • slopen
  • spouw en/of buitenmuur (na)-isoleren
  • vervangen van goten, boeiboorden, windveren of gevelbekleding
  • kozijnen vervangen
  • gevel reinigen, vervangen voegwerk en schilderwerkzaamheden
  • grote werkzaamheden aan gevel en dak
  • kleine werkzaamheden aan het dak
  • verwijderen van gevelbekleding

Als je ondernemer of projectontwikkelaar bent, en wilt werken met de vergunning van de gemeente (route 1), neem dan contact op met de gemeente om de mogelijkheden te bespreken.

Ga je andere werkzaamheden uitvoeren, dan geldt route 2. Laat zelf ecologisch onderzoek uitvoeren en vraag een vergunning aan bij de Provincie.

Ga je één van deze werkzaamheden uitvoeren? Verplicht

Werken met het Soortenmanagementplan (SMP)

Meld je aan om een overeenkomst te tekenen. Dan kun je daarna op een natuurvriendelijke manier aan de slag.  

Route 1: stappenplan met Soortenmanagementplan Verplicht

Route 1: stappenplan met Soortenmanagementplan

Als route 1 mogelijk is en je gaat werken met de Soortenmanagementplan (SMP)-vergunning van de gemeente dan zijn dit de stappen:

Stap 1

Meld je aan voor een overeenkomst om gebruik te maken van de SMP-vergunning. 

Stap 2

Laat een flora- en fauna-quickscan uitvoeren door een ecologisch deskundige die is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus.

Voor particulieren is meestal geen flora- en fauna-quickscan nodig. Dit is alleen nodig als de stadsecoloog dit noodzakelijk vindt.

Stap 3

Je kunt meestal gebruik maken van de standaard werkprotocollen. Na aanmelding krijg je de juiste protocollen.

Is er geen standaard werkprotocol, laat dan een ecologisch werkprotocol opstellen door een ecologisch deskundige. In sommige gevallen kan de gemeente dit verplichten. 

Stap 3

Laat een ecologisch werkprotocol opstellen door een ecologisch deskundige.

Stap 4

Je ondertekent de ontvangen overeenkomst. Daarna mag je volgens de voorwaarden aan de slag.

Als je andere werkzaamheden gaat uitvoeren, kun je geen gebruik maken van de vergunning van de gemeente (SMP). Je moet route 2 volgen: laat zelf ecologisch onderzoek uitvoeren en vraag een vergunning aan bij de provincie.

Als je werkzaamheden aan de tuin of buitenruimte gaat uitvoeren, kun je geen gebruik maken van de vergunning van de gemeente (SMP). Je moet route 2 volgen: laat zelf ecologisch onderzoek uitvoeren en vraag een vergunning aan bij de provincie.

Route 2: werken met een omgevingsvergunning Verplicht

Route 2: werken met een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten

In route 2 ben je zelf verantwoordelijk voor het zorgvuldig omgaan met beschermde soorten. Heb je vragen over deze route? Neem dan contact op met de provincie.

Het ecologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige. Ecologen die zijn aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus voldoen in ieder geval aan deze eisen.

Stap 1

Een ecologisch deskundige doet een verkennend onderzoek, een flora- en fauna quickscan. Als blijkt dat er geen beschermde soorten zijn dan heb je geen vergunning nodig.

Stap 2

Heeft de ecoloog meer informatie nodig, dan doet de ecoloog een soortgerichtonderzoek naar te verwachten soorten. Worden er geen beschermde soorten aangetroffen? Dan is er geen vergunning nodig.

Stap 3

Heeft de activiteit nadelige gevolgen voor beschermde soorten? Dan maakt de ecoloog een activiteitenplan. Hierin staat hoe je schade aan de natuur voorkomt, beperkt of herstelt. Het activiteitenplan is de basis voor je vergunningaanvraag.

Stap 4

Vraag de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan bij de provincie via het Omgevingsloket.   

Stap 5

Vergunning gekregen? Dan mag je aan de slag volgens de regels van de vergunning. De ecoloog maakt een ecologisch werkprotocol met de planning van de werkzaamheden en hoe je werkt volgens de regels. Dit ecologisch werkprotocol en de vergunning moet altijd aanwezig zijn op de werklocatie. 

Meer weten?

Uitleg over de flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet

Het gaat om soorten die belangrijk zijn voor Europa, zoals die vallen onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn,  En om soorten die in Nederland extra bescherming krijgen. 

  • Alle van nature in Nederland voorkomende vogels en hun voortplanting- en rustplaatsen (zoals nesten en plekken waar ze slapen).
  • Veel zeldzame of kwetsbare zoogdieren zoals alle vleermuissoorten, marterachtigen, bever, das en eekhoorn.
  • Alle van nature in Nederland voorkomende reptielen en amfibieën en zeldzame of kwetsbare vissen.
  • Zeldzame wilde planten. Bijvoorbeeld zeer zeldzame orchideeën, bijzondere akkerplanten en zeldzame muurplanten.
  • Zeldzame insecten en andere kleine dieren. Zoals de teunisbloempijlstaart, bosbeekjuffer, vermiljoenkever en platte schijfhoren.

Controleer vooraf of beschermde of bedreigde soorten of hun leefgebieden aanwezig zijn op of rond de werkplek.  

Kun je niet vooraf uitsluiten dat de activiteit schade veroorzaakt? Dan moet je vaststellen welke gevolgen de activiteit kan hebben op beschermde of bedreigde soorten of hun leefgebieden.  

Je moet maatregelen nemen om die schade te voorkomen of te beperken en herstellen en je moet nagaan of de maatregelen het gewenste effect hebben.  

Als er toch schade ontstaat, terwijl je dat had kunnen voorkomen, dan kan het bevoegd gezag (provincie of het rijk) optreden. In sommige gevallen moet je de werkzaamheden stopzetten.

Deze zorgplicht geldt altijd, ook als je geen vergunning nodig heeft. Je blijft dus verantwoordelijk voor het beschermen van de natuur. 

  • Je mag beschermde dieren niet opzettelijk doden, vangen of verwonden. Dit geldt ook voor het opzettelijk rapen of kapotmaken van eieren.
  • Je mag voortplantings- of rustplaatsen niet beschadigen of vernietigen. Dat zijn bijvoorbeeld nesten van vogels, verblijfplaatsen van vleermuizen, burchten van bevers en dassen en wateren waar beschermde salamanders zich voortplanten. Sommige dieren gebruiken deze plekken het hele jaar door. Voor deze soorten geldt het verbod dan ook jaarrond. Bijvoorbeeld bij vogels met jaarrond beschermde nesten en bij vleermuizen.
  • Je mag beschermde dieren niet opzettelijk verstoren. Bijvoorbeeld door lawaai, licht of andere activiteiten die hun gedrag beïnvloeden.
  • Je mag beschermde planten niet opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, uitgraven of vernietigen. Ook het kapotmaken van de plek waar ze groeien is verboden.

Om te weten of er beschermde soorten in de buurt van de activiteit zijn, gebruik je de Beschermde Soortenindicator (BeSI)

Ook als het werk niet onder het SMP valt, heb je een onderzoeksplicht bij:

  • Kappen of verwijderen van bomen, struiken of heggen.
  • Aanleggen van een tuin, terras of oprit.
  • Bouwen van een schuur, garage of ander bouwwerk op onbebouwd terrein.
  • (Her)inrichten van een erf, tuin of parkeerplaats.
  • Graven van een vijver of zwembad.
  • Aanleggen van een nieuwe weg of pad.

Voer vooraf een natuuronderzoek uit. Raadpleeg de Beschermde Soortenindicator (BeSi). Vraag een vergunning aan als dat nodig is. Houd ook zonder vergunning altijd rekening met bedreigde soorten, neem maatregelen om schade te voorkomen of te beperken en ongedaan te maken. De provincie houdt toezicht hierop.

Zelf aan de slag, mag dat?

Het is vaak lastig om beschermde soorten te herkennen en hun leefgebied vast te stellen. Wanneer je dit niet door een ecoloog laat onderzoeken loop je een groot risico iets over het hoofd te zien.  

Je mag zonder vergunning werken als je kunt aantonen dat het werk geen schade veroorzaakt aan beschermde dieren of planten. Meestal is hiervoor een flora- en fauna-quickscan nodig als bewijs. Je kunt schade voorkomen door bijvoorbeeld niet te werken in het broedseizoen van vogels. Ook is het belangrijk dat je geen nest- of verblijfplaatsen verstoort. Door het werk goed te plannen en rekening te houden met de natuur, voorkom je overtredingen en kun je zonder vergunning aan de slag.

De periode van maart t/m juli ziet men als broedseizoen van vogels. Ook buiten deze periode kunnen vogels tot broeden komen. Sommige nesten zijn het hele jaar beschermd. Bijvoorbeeld nesten van roofvogels, uilen, zwaluwen, huismussen, spreeuwen en eksters. 

Ook als je geen vergunning nodig hebt, moet je vooraf controleren of het werk schade kan veroorzaken aan beschermde dieren of planten. Vul daarom de Beschermde Soortenindicator in en laat een onderzoek uitvoeren. Alleen als uit dat onderzoek blijkt dat er geen risico is, mag je zonder vergunning aan de slag.

Sneller en voordeliger werken? Dan kun je gebruikmaken van het Soortenmanagementplan. Daarmee voldoe je aan de regels en bescherm je de natuur op een praktische manier.

Soortenmanagementplan

Het Soortenmanagementplan is een onderzoek naar verblijfplaatsen van beschermde dieren die vooral in gebouwen leven. Dit onderzoek is gedaan voor het grootste deel van de bebouwde kom van Breda. Op basis van dit onderzoek is het Soortenmanagementplan opgesteld.

In het Soortenmanagementplan staat welke beschermde soorten in het gebied voorkomen en welke maatregelen nodig zijn. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van nestkasten of het uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen (maart tot en met augustus) of de kraamperiode van vleermuizen (half mei tot en met half juli).

Het Soortenmanagementplan helpt u om woningen te vernieuwen, verbouwen, isoleren of slopen op een snelle, praktische en natuurvriendelijke manier. Werkt u volgens de afspraken in het Soortenmanagementplan? Dan voldoe je aan de regels van de natuurwetgeving in de Omgevingswet. In veel gevallen is dan geen extra onderzoek nodig. Dat bespaart tijd en geld. Je helpt ook mee om kwetsbare dieren te beschermen.

Het Soortenmanagementplan geldt 10 jaar en maakt gebruik van een gebiedsgerichte vergunning. Daardoor hoef je niet voor elke activiteit apart een vergunning aan te vragen. Je kunt eenvoudig een verzoek indienen om gebruik te maken van het Soortenmanagementplan. 

Dat is mogelijk. Door subsidies te combineren, kun je kosten besparen. Sommige subsidies stellen als voorwaarde dat je werkt volgens het Soortenmanagementplan of dat je een individueel ecologisch onderzoek laat uitvoeren. Het is belangrijk om vooraf te controleren welke eisen gelden en welke mogelijkheden er zijn. 

Projectontwikkelaars en ondernemers kunnen bij sloop, nieuwbouw, renovatie, verduurzaming of groot onderhoud gebruikmaken van het Soortenmanagementplan. Dit bespaart tijd en kosten en vergroot de zekerheid dat het project door kan gaan. Door te werken volgens het Soortenmanagementplan voldoe je aan de natuurwetgeving en voorkom je vertraging door vergunningstrajecten. De gemeente Breda denkt graag met u mee over uw initiatief en kijkt samen met je naar mogelijkheden om de natuur te versterken via ecologische plussen. 

Isolatiebedrijven kunnen het Soortenmanagementplan gebruiken bij het aanbrengen van spouwmuur-, buitenmuur- en dakisolatie. Een NVI-certificering is wenselijk, omdat dit het proces voor de particulier versnelt. Een gecertificeerd bedrijf mag zonder ecologische begeleiding een gebouw natuurvrij maken. Heeft het bedrijf geen certificaat, dan moet een ecologisch deskundige worden ingeschakeld om het proces te begeleiden.